Translate

dinsdag 23 april 2019

Verontrustende dieselgeheimen

De nieuwe internationale emissienorm voor scheepsbrandstoffen (hier) is een van de grootste uitdagingen waar de olie-industrie ooit mee te maken heeft gehad. Raffinaderijen zijn niet klaar om de vereiste hoeveelheden laagzwavelige brandstof te leveren. Bovendien weten ze niet wat aan te vangen met de toenemende hoeveelheden hoogzwavelige ruwe olie die op de markt komen. Dieselbrandstof kan zelfs opraken, met enorme gevolgen voor de prijzen van de hele keten van olieproducten. Portret van een aangekondigde crisis.

Afbeeldingsresultaat voor free high quality wallpapers pictures refinery

De evolutie van ruwe olie
Om de omvang van het probleem te begrijpen, moeten we iets vertellen over het raffinageproces. Allereerst is het van belang in te zien dat olie geen homogeen product is, maar een mengsel van koolwaterstoffen van verschillende dichtheid en viscositeit. De rol van een raffinaderij is om ruwe olie te onderwerpen aan verschillende distillatie- en kraakfases om laag- en middelzware koolwaterstoffen te scheiden. Teneinde hoogwaardige aardolieproducten, zoals benzine, diesel en vliegtuigbrandstof, te kunnen afleveren.

Het resultaat van deze techniek is dat zware en taai-vloeibare koolwaterstoffen en alle verontreinigende stoffen in ruwe olie - vooral zwavel - geconcentreerd worden in een overblijfsel van lage kwaliteit. Het is deze zware en zeer zwavelhoudende stookolie ('mazout') die gebruikt wordt als brandstof bij het opwekken van energie, in cementfabrieken en in de scheepvaart.

Tot 15 jaar geleden was de meeste ruwe aardolie van goede kwaliteit en bevatte die slechts weinig zware koolwaterstoffen en zwavel. Als gevolg daarvan was er aan het einde van het raffinageproces relatief weinig stookolie over. Een essentieel miskend aspect van het opraken van olie is de toenemend slechte kwaliteit van bovengehaalde ruwe olie. Het blijkt inderdaad dat er steeds meer zeer zware - en zwavelhoudende oliën op de markt circuleren. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich niet-verontreinigende schalie-olie, maar die is te licht om veel diesel te kunnen produceren.

We hebben dus de keuze tussen zware oliën die goed distilleren in de vorm van diesel, maar die ook veel vervuilende stookolie voortbrengen, of ultralichte olieproducten die geen stookolie afgeven, maar ook niet veel diesel. En olie van goed gemiddelde kwaliteit wordt steeds schaarser en duurder.

Uitdagingen voor raffinaderijen
Hoe gaan raffinaderijen om met deze situatie ? De afgelopen 10 jaar hebben sommige raffinaderijen coker-installaties toegevoegd aan het raffinageproces. Deze apparatuur breekt zware koolwaterstoffen af in lichtere producten, die gebruikt worden voor de productie van benzine, diesel en vliegtuigbrandstof. Aan het eind van die verwerking blijft er dan nog slechts een matige hoeveelheid oliecokes over, een vast product vergelijkbaar met steenkool, maar wel zeer vervuilend. Dit soort cokes wordt vaak gebruikt als brandstof in cementfabrieken, met een grote impact op het milieu.

Met die coker-installaties is wel een probleem : ze zijn erg duur. Zo heeft ExxonMobil in Antwerpen ruim 1 miljard euro geïnvesteerd in een nieuwe coker-unit. De kosten zijn dermate hoog dat bijna de helft van de raffinaderijen in de wereld niet over een dergelijke installatie beschikt. Dat is de reden waarom er nog steeds aanzienlijke hoeveelheden hoogzwavelige stookolie worden aangemaakt. 

Het wereldwijde verbod op zwavelhoudende stookolie in de koopvaardij per 1 januari 2020, zal echter plotseling de belangrijkste markt voor dit olieproduct wegnemen. De prijs van stookolie, die momenteel ongeveer 90% van de prijs van ruwe olie bedraagt, zou kunnen terugvallen tot slechts 10% van zijn waarde. Maar aangezien de helft van de raffinaderijen nog steeds mazout zal produceren - want onvoldoende uitgerust om betere olie te maken - staan ze voor moeilijke keuzes. Er zijn 3 mogelijke opties :

1. Het verkrijgen van een betere kwaliteit ruwe olie, met een laag zwavelgehalte. Op deze manier kan hun stookolie voldoen aan de nieuwe eisen van het zeevervoer. Maar dit soort ruwe aardolie van goede kwaliteit is schaars en een toename van de vraag zal de prijs alleen maar doen stijgen.

2. Het aanboren van nieuwe markten voor hoogzwavelige mazout. Omdat de prijs van stookolie diep zal terugvallen, bestaat er bezorgdheid over de hervatting van de oliegestookte elektriciteitsproductie, een ongunstige praktijk die gelukkig al lange tijd aan het afnemen is. Met deze tweede optie ruilen we een vermindering van de zwaveluitstoot op zee voor een toename van de zwaveluitstoot op het land. Een absoluut te vermijden scenario.

3. Veel raffinaderijen, vooral kleinere, zullen in deze nieuwe omgeving niet langer rendabel zijn en zullen zich geen coker-installatie kunnen veroorloven. Velen zullen eenvoudigweg hun deuren moeten sluiten, waardoor het aanbod afneemt en de prijzen voor aardolieproducten zullen oplopen.

Gevolgen voor het zeevervoer
De maritieme industrie zal dus op 1 januari 2020 geconfronteerd worden met een situatie waarin de markt slechts een klein deel van de nodige laagzwavelige stookolie zal kunnen leveren. De volgende aanpassingsstrategieën zijn denkbaar : 

1. De scheepvaartindustrie zou kunnen kiezen voor een nieuwe brandstof, namelijk vloeibaar aardgas. Dat bevat vrijwel geen zwavel en vereist niet al te veel aanpassingen aan de motor. Vloeibaar aardgas is wel veel duurder dan mazout en wordt daarom in het zeetransport nog niet op grote schaal gebruikt. Het is vandaag ook onduidelijk of het in 2020 reeds in alle havens beschikbaar zal zijn.

2. Men kan die mazout blijven aanwenden mits het toevoegen van filters om de zwavel aan de uitlaatpijp op te vangen. Deze filters hebben hun efficiëntie bewezen, maar ze verhogen het energieverbruik van de motoren en de verleiding is groot om ze uit te schakelen eens men de haven heeft verlaten. En wie is dan in staat om op volle zee te controleren of die filters al dan niet functioneren ?

3. De maritieme branche kan ook overschakelen op dieselbrandstof. Die is geschikt voor scheepsmotoren. Het is een duurdere oplossing, maar voldoet aan de nieuwe normen (diesel bevat nauwelijks zwavel). De olie-industrie zal echter niet in staat zijn het hoofd te bieden aan een dergelijke plotselinge vraagtoename. Bovendien zal de maritieme vraag naar diesel de concurrentie moeten aangaan met de oliebehoefte van vrachtwagens, zware machines en landbouwtractoren.

Effect op de olieprijzen
De scheepvaartindustrie verbruikt momenteel wereldwijd bijna 3,5 miljoen vaten stookolie per dag. Zelfs in de veronderstelling dat aardgas en filters populair worden, kan de dagelijkse vraag naar diesel gemakkelijk met 1 of 2 miljoen vaten stijgen, tegenover een gemiddelde van 27,8 miljoen vaten in 2017. Een stijging van 5% lijkt verwaarloosbaar. De realiteit is evenwel dat de oliebusiness nog nooit werd blootgesteld aan dergelijk grote variaties.

De laatste crisis van deze aard deed zich voor in 2008, toen de gestage achteruitgang van de kwaliteit van de ruwe olie een stormloop naar kwaliteitsolie veroorzaakte. Dit is een van de factoren die de sterke stijging van de olieprijzen tot meer dan 140 dollar in 2008 hebben aangewakkerd. Die recordprijs was de echte onderliggende reden voor het uitbarsten van de financiële crisis.

Sommige olie-analisten denken dat in 2020 een nieuwe run op de beste olie nog een keer kan gebeuren. Vanwege de prijs en de lange plaatsingstijd van coker-units zullen raffinaderijen hun dieselproductie niet tijdig kunnen verhogen. Niet-uitgeruste raffinaderijen zullen moeten vechten voor kleine hoeveelheden beschikbare laagzwavelige ruwe olie. Tegelijkertijd zullen verschillende industrieën, waaronder de scheepvaart, met elkaar gaan concurreren om onvoldoende hoeveelheden dieselolie.

Zoals hierboven vermeld, kan de verkoopprijs van zwavelhoudende maritieme stookolie dalen van het huidige niveau van 90% van de prijs van ruwe olie tot slechts 10%. Maar de prijs van andere brandstoffen zal exploderen en naar verwachting nog enige tijd heel hoog noteren. Olie-analist Philip K. Verleger Jr. gelooft dat de prijzen voor aardolie kunnen stijgen tot 130 of 140 dollar per vat, dus in de buurt van het niveau van 2008.

In deze context kan in de haven van Rotterdam de dieselprijs op de spotmarkt meer dan verdubbelen tot voorbij 1.000 dollar per ton. Op de Amerikaanse retailmarkt zou de prijs van dieselolie kunnen verdrievoudigen tot  2,16 à 2,43 dollar per liter. Omdat de belastingen in Europa een groter deel van de huidige prijs uitmaken, zou de stijging hier iets minder uitgesproken zijn. Hou wel voor ogen dat Europa veel meer diesel van het wereldaanbod consumeert (23 à 24%) dan de Verenigde Staten. 

Consumenten
Hoe zullen consumenten op een dergelijke oliecrisis reageren ? De manifestaties van de gelehesjesbeweging geven alleszins een idee van te verwachten spanningen. 

Een ding staat vast: de in oktober 2016 goedgekeurde nieuwe internationale emissienormen, een zeer belangrijke verandering die onder de radar van de massamedia is gebleven, kan een massa onbedoelde gevolgen sorteren. 


Bronnen :
Philippe Gauthier, "Comprendre la crise des carburants maritimes" (overgenomen en bewerkt)
Philippe Gauthier, "Le nouveau mazout maritime entraînera une hausse du prix du diesel"
Philip K. Verleger, Jr, "$200 Crude, the Economic Crisis of 2020, and Policies to Prevent Catastrophe"


Vond je dit een interessant artikel ?  Zo ja, deel het dan even via bvb. de sociale media. Dank !




















donderdag 7 maart 2019

De jeugd komt in opstand

De recente jeugdmanifestaties ten gunste van het klimaat zijn voor ieder van ons een wake-up call. De aanklacht van de klimaatspijbelaars doet denken aan de woorden van de Franse auteur Georges Bernanos (1888 - 1948) : "Elke twintig jaar stellen de jongeren van de wereld de ouderen een vraag waarop die niet kunnen antwoorden." Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat achter dit jeugdige ongenoegen een diepere onvrede sluimert omtrent het functioneren van ons samenlevingsmodel. Niet alleen wordt de jonge mens zich bewust van een voor hem of haar ongunstiger toekomstperspectief. Sommigen stellen het onethische gedrag van beleidsmakers en het tegelijk aantasten van individuele rechten en vrijheden van burgers onverbloemd aan de kaak.

Zo vonden we op Facebook, nu ook op www.justsayno.be, een lang opstel van een 17-jarige Vlaamse studente die uitgebreid het machtsmisbruik en de waarheidsaantasting in onze maatschappij op de korrel neemt : 'De wereld staat op zijn kop en niemand die het beseft, dus ik stop met school."




vrijdag 8 februari 2019

Het verschil tussen goede - en minder goede economen

De gemiddelde investeerder heeft toegang tot een overvloed aan nutteloze feiten en zinloze statistieken. Iedereen weet alles. Maar haast niemand weet wat echt nuttig is. 

Tegen de tijd dat je hoort dat de olieprijs is ingestort... of dat Trump een wapenverdrag heeft opgezegd... of dat de Italiaanse obligatieopbrengsten zijn gestegen... is het feitelijk al te laat. Je komt er precies op hetzelfde moment achter als ieder ander. En alles wat je krijgt is constant informatie die van weinig waarde is.

Dit is geen nieuw probleem. De Franse econoom Frédéric Bastiat (1801 - 1850) besprak deze kwestie reeds in de jaren 1800 in zijn essay "Ce qu'on voit et ce qu'on ne voit pas".

In de economische sfeer heeft een handeling, een gewoonte, een politieke verklaring, een wet niet slechts één effect, maar een reeks effecten. Van deze effecten sorteert alleen de eerste uitkomst onmiddellijke gevolgen. Want die uitkomst, die iedereen kan vaststellen, verschijnt gelijktijdig met de oorzaak.

De andere effecten komen echter pas later aan het licht. En die worden niét onmiddellijk herkend. We mogen van geluk spreken als we ze kunnen voorzien. Er is slechts één fundamenteel verschil tussen een 'slechte' - en een 'goede' econoom : de 'slechte' econoom beperkt zich tot het zichtbare effect. De 'goede' econoom houdt rekening met zowel zichtbare - als niet onmiddellijk zichtbare gevolgen.

Mainstream nieuws is informatie. Dat is hetgeen iedereen kan oppikken. Dit soort actualiteit helpt je niet om tot inzicht te komen.


woensdag 23 januari 2019

Energie dominantie is militaire dominantie

Reeds 50 jaar betrachten de Verenigde Staten energie-onafhankelijkheid. Tegenwoordig roept men van de daken dat Amerika daarin geslaagd is. De feiten spreken dit echter duidelijk tegen. In juni 2017 introduceerde de regering-Trump een na te streven politiek van energie dominantie. Dit concept wordt momenteel op alle niveaus in de media en in het politieke debat gepromoot. Enige historische kennis en een kritische blik leren ons dat hierachter niet alleen een economische - maar ook een militaire agenda schuilgaat.

Ongetwijfeld hebben de VS goede redenen om de olieproductie op te drijven. Van de drie grootste olieproducenten is Amerika de enige die groeit : het land heeft Rusland en Saoedi-Arabië ingehaald (zie onderstaande grafiek).



Deze sterke toename van de Amerikaanse productie na de terugval die in het begin van de jaren zeventig aanving, is zonder meer spectaculair. Dit wonder, uitgegroeid tot een echt hype, heeft een naam : schalie-olie. Die frackingboom kwam pas goed op gang vanaf 2010. Verschillende specialisten (lees hier, hier en hier) vertellen ons echter dat dit soort oliewinning duur is en in onrealistische marktomstandigheden plaatsvindt. Tot nu toe is er veel meer geld gestoken in dergelijke olieproductie dan de verkoop heeft opgebracht. De analyse van Chris Martenson laat zien dat de schalie-olie industrie op weg is naar een financiële ramp. Energie dominantie lijkt op die manier niets anders dan een doorgedreven manier om geld en middelen te verkwanselen.

Op het eerste gezicht lijkt er weinig logica te zitten in het promoten van overheersing door middel van energie. Het is moeilijk te geloven dat de Amerikaanse overheid niet zou inzien dat die schalie-olieboom een grote zeepbel is die vroeg of laat moet barsten.
Energie dominantie is dus eerder een slogan om een bepaald politiek concept uit te drukken, een gecodeerde boodschap die een achterliggende bedoeling verbergt. Als we energie dominantie vertalen naar militaire dominantie wordt een en ander duidelijker.

Het feit dat er zoveel geld naar exploitatie van schalie-olie en -gas is gegaan, betekent niet automatisch dat iemand aan de top dit zomaar, uit eigen beweging, heeft besloten. Kapitaal stroomt naar die plekken waar investeerders menen het hoogste rendement te kunnen behalen. Alle financiële crashes uit het verleden bewijzen dat collectieve hallucinaties geregeld plaatsvinden. De frackinghype is reëel, maar het kan tijd kosten vooraleer de bubbel barst.

Maar zoals gezegd is er meer aan de hand dan dit financiële verhaal. De geschiedenis leert dat oorlogen worden gewonnen door diegenen die meer middelen in de strijd kunnen werpen dan de tegenpartij. "Wie de olietoevoer controleert, controleert hele naties" zei ooit Henry Kissinger. Op deze wijze werden zowel de Eerste - als de Tweede Wereldoorlog gewonnen : de geallieerden konden telkens meer energie (olie, kolen en gas) aanwenden dan de Duitsers. En deze energiebronnen lieten hen toe om meer oorlogstuig te produceren : vliegtuigen, tanks, kanonnen, bommen, kogels enz.

Het ontbrak Duitsland op een bepaald ogenblik steevast aan voldoende olie om hun militaire machine aan te drijven. Historicus en economisch onderzoeker William Engdahl schrijft in zijn boek 'A Century of War - Anglo-American oil politics and the new world order' (2004) :
"In 1918 waren de rijke Russische olievelden van Bakoe aan de Kaspische Zee het doelwit van intense militaire en politieke inspanningen vanwege zowel Duitsland als Groot-Brittannië. De Britten slaagden erin deze zones gedurende enkele kritieke weken preventief bezet te houden. Op die manier kreeg de Duitse generale staf in augustus 1918 geen toegang tot vitale olievoorraden. De Bakoe-bezetting was een beslissende laatste klap voor de Wehrmacht. Want weinige weken later, slechts maanden nadat het erop leek dat Duitsland de geallieerde strijdkrachten had verslagen, gaf het zich over. Olie had wel degelijk een centrale plaats veroverd in het geopolitieke spel."

Ga er maar vanuit dat in militaire hoofdkwartieren de les geleerd is dat oorlogen worden gewonnen door diegene die over de grootste oliestock beschikt. Wie militaire dominantie wil bereiken, moet dus energie dominantie nastreven. In die zin kan het best zijn dat de schaliehype door de Amerikaanse regering eerder beschouwd wordt als een militaire- dan als een natuurlijke hulpbron.

Het gaat er dan eerder om de gigantische sociale en economische structuur, die we 'globalisering' noemen, continu te controleren en te beheersen. En het verlies aan investeringskapitaal neemt men er dan op de koop toe.


Vond je dit een interessant artikel ?  Zo ja, deel het dan even via bvb. de sociale media. Dank !


donderdag 25 oktober 2018

BNP Paribas, exponent van het Europese bankenprobleem

Als Goldman Sachs de bank is die de wereld bestuurt, is BNP Paribas ongetwijfeld de bank die in Frankrijk de lakens uitdeelt. BNP heeft een filiaal in Nederland en is vooral ook sterk vertegenwoordigd in België. De nationale bank van Frankrijk, de Banque de France, wordt bestuurd door de voormalige baas van BNP, François Villeroy de Galhau. Als geen ander weet deze hoge functionaris hoe desastreus de toestand van de Europese grootbanken wel is. Waarin verschilt BNP dan van andere financiële instellingen ?

De omvang van de balans
Ziehier een overzicht van het bilan van BNP voor het boekjaar 2017 :



Met een balans van 1.960 miljard euro komt de omvang van de bank overeen met ongeveer 75% van het BBP van Frankrijk. Omwille van haar volume is deze kolos dus 'incontournable' bij het uitstippelen van het financieel-economisch beleid van het land.


Het eigen vermogen van de bank
107 miljard euro. Maar volgens econoom en financieel analist Jean-Pierre Chevalier bedraagt het kernkapitaal (na aftrek van potentiële verliezen voor slechte leningen) niet meer dan 50 miljard euro! Waarmee dus nog maar eens blijkt dat de bankbalans van een megabank een zwarte doos is. Het reële eigen vermogen van BNP Paribas bedraagt dus een schamele 2,55% van de passiva. Zonder dan nog rekening te houden met de zogenaamde buitenbalansactiviteiten... 

Natuurlijk wordt ons verteld dat de banken solide zijn, dat de controle-autoriteiten controle uitoefenen, dat we allemaal op beide oren kunnen slapen want dat men goed waakt over onze centen. De realiteit is dat ons geld eigenlijk al niet meer bestaat.

Uw vermogen op de bank is hetgeen de bank u schuldig is. De bank is uw schuldenaar. Uw rekeningsaldo bevindt zich in de kolom van de bankpassiva. Als BNP instort, kan deze instelling haar depositohouders in theorie alleen met eigen middelen terugbetalen, namelijk die 50 miljard euro. Maar de volledige schuld, het volledige aansprakelijke bedrag is echter dIe voornoemde 1.960 miljard euro. Het is overduidelijk dat als er zich een panieksituatie voordoet, er absoluut onvoldoende kapitaal aanwezig is om iedereen die z'n geld opeist uit te betalen.

Niets veranderd sinds 2008
Ieder van ons zal dat bestempelen als abnormaal. En toch is het zo. Het is normaal dat er niets is veranderd sinds 2008 omdat er niets kán veranderen. Vanuit banktechnisch en economisch oogpunt is dat gewoon onmogelijk. Als we een échte garantie voor onze deposito's willen, dan zou een bank minstens 50% eigen vermogen moeten bezitten. Maar als dergelijke verhoudingen werden opgelegd aan de banken, zouden ze allemaal failliet gaan.
We hebben ons economisch systeem ontworpen met eindeloze groei als objectief. Daartoe moet men de economische pomp echter voorzien van schier onbeperkte hoeveelheden geld die op een dag moeten worden terugbetaald ... of niet.

Bewust foute communicatie
Het enige wat er fundamenteel is veranderd, is de communicatie. Men zegt ons dat er een Europees depositogarantiefonds bestaat (klopt niet, er bestaan uitsluitend nationale garantiefondsen die evenwel nauwelijks gekapitaliseerd zijn) dat er hervormingen doorgevoerd zijn, dat Europa iets nieuws en iets geweldigs creëert enz. Kortom, men doet ons geloven dat alles in orde is. In feite trekken de grootbanken, die de grote geldschieters van de wereldeconomie geworden zijn, aan de touwtjes en dienen uitsluitend hun eigen belangen.


&&&

Banken zijn voor de economie te vergelijken met wat kerncentrales betekenen voor onze elektriciteitsvoorziening. In de Verenigde Staten heeft men de slechte leningen afgeschreven. In de Europese Unie is dat evenwel niet gebeurd. Sommigen schatten de leningen in gebreke op 3.000 miljard euro of 19,5% van het Europese BBPBovenstaande balansanalyse van BNP Paribas maakt dus pijnlijk duidelijk hoe ernstig de financiële situatie in Europa wel blijft. 


Vond je dit een interessant artikel ?  Zo ja, deel het dan even via bvb. de sociale media. Dank !



zaterdag 8 september 2018

Waarom haast niemand iets snapt van geld en economie

Het gros van de westerse wereld geniet momenteel van een relatief gunstig economisch klimaat. Maar onder het zonnige wateroppervlak van de globale economie huist een ijsberg van een valutacrisis in de opkomende markten (Turkije, Argentinië...), een wereldschuld op recordniveau, een derivatentijdbom, aanstormende vergrijzing, mondiale overproductie en toenemende ecologische - en energieproblemen. Wie doorziet dat het beleid van de centrale banken heeft bijgedragen tot het ontstaan van omvangrijke zeepbellen (cryptomunten, aandelen, bedrijfsobligaties, kunst en vastgoed) en een grote inkomens- en vermogensongelijkheid ? Hoe kan het dat de werking - en de grote kwetsbaarheid - van ons financieel-economisch systeem, de spil waarrond alles draait, zo weinig wordt begrepen ?



Lacunes in de economische wetenschap
Economie gaat over geld en financiële markten, over werk, over productie en consumptie, over handel maar heeft ook te maken met grondstoffen, ecologie, klimaat, energie, technologie, belastingen en politiek. Maar ook de studie van psychologie en sociologie lijken belangrijk om het economisch gedrag van individuen en groepen enigszins in kaart te brengen. 

Het wel en wee van de wereldeconomie wordt dus beïnvloed door een zeer groot aantal factoren. Elk van de genoemde wetenschappelijke specialisaties heeft heel veel informatie voortgebracht. Maar het integreren van al die kennis, over de grenzen van die verschillende disciplines heen, gebeurt niet. De meeste economen concentreren zich op puur monetaire aangelegenheden en veronachtzamen het belang van grondstoffen en energie. Een holistische analyse van relevante data gebeurt niet of nauwelijks.
Dat wordt eveneens geïllustreerd door het feit dat er maar liefst negen diverse economische scholen bestaan. Hoe zou een kennisgebied, dat onvoldoende inzicht biedt in haar eigen onderwerp, in staat zijn een coherent totaalbeeld te schetsen van de economische realiteit ?

Anders dan de natuurwetenschappen gaat economie over waardeoordelen : hoe welvaart moet worden verdeeld, hoe het algemeen belang het best kan worden gediend, hoe maatschappelijke verbeteringen aan te brengen enz. Ieder economisch beleid ontstaat vanuit een politieke keuze en vaak ook vanuit een morele invalshoek. Economie is eerder een politieke theorie. Het is geen exacte wetenschap en zal dat ook nooit worden.

Lacunes in het onderwijs
Het onderwijs, zoals het vandaag georganiseerd wordt, vertoont grote lacunes in haar kennisoverdracht. Zo is geschiedenis al decennialang, ook in het buitenland, een achtergesteld vak. Tot de jaren tachtig was aan de meeste Amerikaanse universiteiten economische geschiedenis een verplicht onderdeel van de studie economie, maar vandaag wordt dit studieonderdeel niet of veel minder aangeboden. Nochtans is de wetenschap die handelt over de opkomst en van landen en beschavingen enorm leerrijk (lees hierhier en hier). Geschiedenis is echt wel nuttig omdat ze zowel de successen als de mislukkingen van economische theorieën en - beleidsbeslissingen blootlegt.

Ook het geld- en economiethema krijgt in het algemeen vormend onderwijs te weinig aandacht. Ons geldsysteem is het slechtst uitgelegde concept in de academische wereld. De weinigen die monetaire economie hebben gestudeerd kennen de geheimen van het systeem. En die financiële economen werken meestal voor overheden en grootbanken.

Zelfzucht van de bankiers
Bij de uitbraak van de financiële crisis in 2008 bleek dat vele managers van megabanken hun eigen producten niet volledig begrepen. De bekende Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang vermeldt in zijn boek "Economie : de gebruiksaanwijzing" hoe bankiers toegaven dikwijls derivatencontracten van een paar honderd pagina's niet door te nemen wegens tijdsgebrek. Recente nieuwe monetaire technieken en - producten zijn zodanig ingewikkeld dat zelfs binnen de financiële industrie slechts een beperkt aantal mensen kennis van zaken heeft. Sterk voorbeeld hiervan : op het hoogtepunt van de Griekse crisis in 2015 werd er beroep gedaan op de Amerikaanse adviseur Glenn Kim (ex-Lehman Brothers) om een specialist zoals Grieks minister van Financiën Euclides Tsakalotos bij te staan.

Abstractie gemaakt van de complexiteit van speculatietechnieken en centralebankenbeleid is de werking van het geldstelsel feitelijk simpel. De bankierselite creëert geld uit het niets. Dit geld wordt aan overheden, bedrijven en gezinnen uitgeleend en keert vervolgens mét intrest terug naar de bron. Deze verborgen kennis wordt reeds eeuwen van bankiersgeneratie op bankiersgeneratie overgedragen. Een fantastisch businessmodel - feitelijk tot en met een uitbuitingssysteem - waar slechts weinigen weet van hebben.
Bovendien wordt er in de financiële sector zeer goed verdiend. Vandaar dat een zeer uitgebreide en actieve lobby er alles aan doet om deze zeer profijtelijke structuur in stand te houden. En de waarheid weg te houden van Jan met de pet.

Volgens kenner Diederik Schmull zijn er binnen de financiële sector weinig goede analisten. Wie bovendien zijn gefundeerde opinie uitbrengt over bijvoorbeeld de komende daling van de markten - wat klanten kan weghouden van de beurs en dus negatief uitpakt voor commissies en bonussen - wordt binnen de bank scheef bekeken en kan zelfs een promotie mislopen. Producten verkopen en winst maken : daar draait het om. Als analisten, door een gebrek aan expertise of moed niet in staat zijn toekomstige financieel-economische crisissen te herkennen of daarover te communiceren, valt het licht te begrijpen dat het grote publiek helemaal in het ongewisse blijft.

Toppolitici in bed met bankiers
Zo ongeveer iedere regering, China op kop, tracht statistieken omtrent werkloosheid, inflatie, overheidsschuld enz. beter voor te stellen dan ze werkelijk zijn. Wat het zelfs voor ingewijden soms moeilijk maakt om de ware economische situatie van een land correct in te schatten. 

Ten tijde van de bankencrisis in 2008 stelden insiders vast dat er in het Belgische parlement geen 10 volksvertegenwoordigers waren die begrepen wat er aan de hand was. In de westerse parlementen blijft het juridische beroep oververtegenwoordigd. Algemeen kan men vaststellen dat, als het gaat over geld en economie, de politieke klasse een schrijnend gebrek aan essentiële kennis vertoont.

Niet alleen worden parlementariërs benaderd door bancaire lobbyisten, belangrijke politici krijgen zitjes aangeboden in de raden van bestuur van financiële concerns. In de Verenigde Staten worden presidenten en presidentskandidaten gesponsord door Wall Street. De dominantie van megabank Goldman Sachs beperkt zich overigens niet tot de VS, ook in Europa heeft ze meerdere pionnen. Heel belangrijk in deze is de wetenschap dat die grote financiële conglomeraten onontbeerlijke afnemers zijn van grote pakketten staatsleningen. Zo wordt het begrijpelijk dat politici de grootbanken eerder met fluwelen handschoenen 'aanpakken'.

Falende massamedia
Wie het medialandschap overschouwt, ontdekt dat hier een ongezonde concentratie is ontstaan. Niet alleen op het niveau van de persbureaus, ook alle belangrijke mediakanalen (televisie, radio, geschreven pers en het internet) zijn telkens in handen van slechts een paar grote concerns of individuen (lees hierhierhier en hier). Het globale mediacomplex, door transnationale informatieverspreiding, is de voornaamste bron van kennisoverdracht geworden. In samenhang hiermee tonen de getuigenissen van journalisten Janneke MonshouwerUdo Ulfkotte en anderen aan dat de pers niet onafhankelijk opereert. Dat andere belangen primeren.

Zowel de finesses van de financiële markten als het functioneren van de macro-economie zijn complexe fenomenen. Die laten zich niet op een snelle en blitse manier uitleggen. De grote nieuwsreuzen investeren echter weinig of niet in gedegen onderzoeksjournalistiek. Exclusiviteit, snelheid, vlotte verteerbaarheid en verkoopbaarheid zijn de ordewoorden van vandaag. Vele journalisten beperken zich al te vaak tot het puur overnemen, knippen en plakken van artikels en beeldmateriaal afkomstig van de internationale persagentschappen.

Topeconomen die op televisie worden geïnterviewd, krijgen ternauwernood enkele minuten om hun visie duidelijk te maken. En wie van ons ziet nog het bos doorheen de bomen van de dagelijkse informatielawine ?

Meer geconditioneerd dan we denken
We zijn wezens die zich graag conformeren aan een bepaald ideeëngoed en aan hoe anderen denken. Die 'groupthink' is een reëel fenomeen dat we zien opduiken in de politiek, het bedrijfsleven, het sociale verkeer en ook in de financiële wereld. Een correcte maar dissidente analyse of een afwijkende mening die de consensus bedreigt, wordt moeilijk getolereerd. De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer drukte het zo uit : "Elke waarheid doorloopt drie stadia. Eerst wordt ze belachelijk gemaakt. Dan wordt ze hevig bestreden. Tenslotte wordt ze als vanzelfsprekend aangenomen." 

Psychologen hanteren in dat verband het begrip 'cognitieve dissonantie'. In mensentaal : we weten, zien en horen alleen graag datgene wat we willen weten, zien en horen. In dat verband is de mythische Cassandrageschiedenis interessant : Cassandra voorspelde de ondergang van Troje, maar werd door niemand geloofd. Moraal van dit verhaal : de voorspeller van slecht nieuws maakt zich niet populair, maar het in de wind slaan van zijn of haar boodschap kan ernstige gevolgen hebben.

Samenvatting
De wereld zit te diep in het rood. Toch wordt dit gegeven slechts door een kleine minderheid echt onderkend. Economen lijden aan hokjesmentaliteit en vertellen ons niets over het grotere plaatje ('the big picture'). Economie is geen exacte wetenschap. In het onderwijs worden leervakken zoals geschiedenis, geld en economie stiefmoederlijk behandeld. In het financiële milieu worden zeer ingewikkelde technieken toegepast, staat winst maken voorop, houdt men niet van afwijkende meningen en is het functioneren van het mondiale geldstelsel slechts aan zeer weinigen bekend. 

Politici doen geregeld aan statistiekvervalsing, worden door allerlei drukkingsgroepen 'bewerkt' en zijn vaak handen op één buik met de topbankiers. De eigendomsconcentratie van massamedia en de macht die daarvan uitgaat, is zorgwekkend. Diepgaand en onafhankelijk onderzoek is er niet of weinig binnen die communicatieorganen. Bovendien lijdt het grote publiek aan doof- en blindheid door de dagdagelijkse informatietsunami en de eigen geconditioneerdheid.

Allemaal samen zijn dat vele redenen waarom het zo moeilijk is voor niet-kenners om een correct beeld te krijgen van geld en economie en van de ronduit hachelijke situatie van de wereldhuishouding.


Vond je dit een interessant artikel ?  Zo ja, deel het dan even via bvb. de sociale media. Dank !





vrijdag 1 juni 2018

Limieten aan de wereldwijde schuldenexplosie

Al decennialang, maar vooral sinds de financiële crisis van 2008, worden de fundamentele problemen van de wereldeconomie gecamoufleerd door het aangaan van almaar meer schulden. Een overvloed van academische artikels en studies geeft aan hoe schadelijk een hoge schuldenlast wel is voor economische vooruitgang. Hoe hoger het schuldenniveau, hoe groter de beperking van de economische groei. Cruciaal hierbij is de vraag of schulden al dan niet productief worden aangewend. De wet van de afnemende opbrengsten wijst er alleszins op dat extreme schulden tot stagnatie en economische terugval leiden.


Bron : Graham Summers van gainspainscapital.com

Wet afnemende opbrengsten
De globale schuldenlast van overheden, bedrijven en gezinnen bedraagt momenteel een in de mensheidsgeschiedenis ongeziene 318% van het wereldBBP. (BBP staat voor bruto binnenlands product, de totale waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten op jaarbasis). Naarmate die schuld toeneemt, bewijst de wet van afnemende opbrengsten dat de economische groei kwetsbaarder wordt. En dat vanaf een zeker ogenblik het reële BBP zal afnemen.

Deze schuldenvulkaan heeft ook als gevolg dat de centrale banken het zich niet kunnen veroorloven om de rentevoeten substantieel te verhogen. De wereldeconomie kan simpelweg geen 'normale' rentestand meer verdragen.



Bovenstaande tabel laat zien dat de wet van teruglopende meeropbrengsten niet alleen in de grote landen werkzaam is, maar ook op wereldschaal. Zo is het mondiale BBP per dollar dat uit de mondiale schuld wordt gegenereerd van 36 cent in 2007 gedaald tot slechts 31 cent in 2017. Nog opvallender is hoe in 2007 China van elke dollar gemaakte schuld 61 cent BBP realiseerde en slechts 33 cent vorig jaar. In de afgelopen tien jaar daalde de efficiëntie van de Chinese schulden dus met maar liefst 45%. Zelfs in een van bovenaf gestuurde economie heeft de wet van afnemende opbrengsten dus de overhand.

Productieve - en improductieve schulden
Er zijn verschillende soorten krediet met uiteenlopende economische effecten. Schuldfinanciering is niet noodzakelijk slecht. Voorwaarde is wel dat schulden worden gebruikt voor productieve doeleinden. Het onderscheid tussen 'productieve' schulden en schulden bestemd voor consumptie is evenwel niet altijd duidelijk en heeft daardoor reeds veel controverse veroorzaakt.

Een lening die bestemd is voor productieve doeleinden, zoals een commerciële of industriële investering, met als bedoeling om toekomstige inkomsten te verwerven, kan ondernemingswinsten opleveren. Bijvoorbeeld het bouwen van een fabriek, de creatie en implementatie van een nieuwe technologie, het vervaardigen van instrumenten die de arbeidsproductiviteit bevorderen enz.

Het ontlenen om te investeren in productieve capaciteit is in het algemeen goed omdat dit meestal resulteert in de creatie van reële nieuwe waarde. Dit soort krediet genereert werkgelegenheid en inkomensgroei en dat met een minimale stijging van schuld. 

Schulden maken om een vakantiehuis, nieuwe meubelen, een nieuwe auto of een luxecruise te bekostigen daarentegen verbruikt veeleer kapitaal. Lenen om consumptiebehoeften in te vullen is eerder ongunstig omdat er geen nieuwe waarde wordt gecreëerd en er mogelijk terugbetalingsproblemen kunnen ontstaan. Consumptiekrediet, in tegenstelling tot investeringskrediet, creëert slechts in beperkte mate jobs en inkomenstoename. 

Ook in de publieke sector is er sprake van productieve en improductieve schulden. Schulden die dienen om scholen, autostrades, kanalen, spoorwegen, hospitalen enz. te bouwen zijn positief voor de economie want die zorgen voor tewerkstelling en inkomensgroei. Als een overheid zich echter in de schulden steekt om uitkeringen, pensioenen of intrestkosten te kunnen betalen, kan men spreken van niet-productieve schuldverplichtingen (in deze situatie is er geen overeenstemmende toename van infrastructuur, jobs of inkomen).

Productief kapitaal opgesoupeerd
Verschillende specialisten zijn het er niet slechts over eens dat de wereldwijde schuld te hoog is opgelopen, maar dat er zich in het mondiale financiële systeem ook te veel improductieve schuld heeft opgestapeld (zie hier en hier).


Source: Federal Reserve – Financial Accounts of the United States (Z.1), Bawerk.net

Het grootste gedeelte toegevoegde schuld in de grootste economie ter wereld, de Amerikaanse, zijn consumptieschulden ('counterproductive debt' plus 'unproductive debt' in bovenstaande grafiek). Dit fenomeen van teveel improductieve schulden en - investeringen is eveneens zichtbaar in andere grote economieën (zie hier). Dit grote leningenpakket dient echter te worden terugbetaald van oudere activa die ooit in productieve toepassingen werden gestopt.

Aangezien het niet-productieve aandeel schulden toeneemt ten opzichte van het productieve deel, komt het financieel-economische systeem onder druk te staan en wordt productief kapitaal geleidelijk aan opgegeten.



Dit proces kan ook worden bewezen aan de hand van bovenstaande grafiek. Die laat zien hoe er steeds meer schuld moet worden opgeroepen om een extra BBP-eenheid te creëren. Naarmate er meer geld wordt omgeleid naar onproductieve schuldaflossingen, zal er minder beschikbaar zijn voor productieve investeringen. Wat op zijn beurt de BBP-groei aantast. 

Hoe lang nog ?
Er zit te veel schuld in het financieel systeem en een groot deel daarvan is improductief. Meerdere indicatoren bewijzen dat het aanwenden van schulden om de economische groei aan te zwengelen, ongelooflijk inefficiënt is geworden. Dé vraag is hoe lang deze negatieve ontwikkeling nog kan blijven duren zonder grote schade toe te brengen aan de wereldeconomie.


Vond je dit een interessant artikel ?  Zo ja, deel het dan even via bvb. de sociale media. Dank !